Artikel

Amsterdam brengt de 'Walkability' van de stad in kaart met data en GIS

Een gelukkige toevalligheid. Julia Ubeda, in 2016 student in Amsterdam, klopt op het juiste moment aan bij de gemeente met een plan om met data en GIS de beloopbaarheid van de stad zichtbaar te maken. Dit was precies wat de gemeente kon helpen om meer inzicht te krijgen in voetgangersstromen om daarmee haar voetgangersvisie en -doelen concreet te maken. Een succesvolle pilot verder rolt Ubeda, nu vanuit haar onderzoeksbureau SpaceTraces, haar ‘universele’ methodiek uit voor een groter deel van de stad.

Ubeda: “Ik wilde graag iets doen met actieve mobiliteit, (ruimtelijke) data en Geographical Information Systems (GIS). Ik ben ervan overtuigd dat informatie beter te begrijpen is als je die kunt presenteren via kaarten. Binnen het onderzoeksteam van de directie Verkeer en Openbare Ruimte was juist behoefte aan extra informatie over voetgangers.”

Het voetgangersbeleid van Gemeente Amsterdam was omschreven in het ‘Kader voetganger’. Ubeda: “Dit was echter nog erg algemeen gesteld en gaf niet goed aan wat de gemeente precies wilde of nodig had. Het belangrijkste leek me om nuttige informatie hiervoor te leveren.” Zij startte vervolgens een zoektocht naar bruikbare kennis, die resulteerde in een meetmethode die relevant is voor Amsterdam.

De methodiek brengt de beloopbaarheid op stoepniveau in kaart op basis van objectieve factoren die in GIS worden ingebracht. De onderliggende rekenformule is: de relatieve loopruimte versus de relatieve voetgangersdrukte. Daarbij is de ‘relatieve loopruimte’ gebaseerd op de factoren stoepbreedte en fietsparkeerdruk. De ‘relatieve voetgangersdrukte wordt gewaardeerd aan de hand van de componenten: aantal inwoners, voltijdsarbeidsplaatsen, onderwijsinstellingen en studentenaantallen, bezoekersinstellingen (zoals musea of theaters) en bezoekersaantallen, functies (zoals aantal winkels, hotels, restaurants of cafés) en ten slotte de ov-drukte (op basis van afstand tot ov-haltes en het aantal in- en uitstappers). Deze factoren worden per stoep berekend en op een kaart gevisualiseerd.

Objectief en tastbaar

Ubeda, een succesvolle pilot en brede uitrol verder: “Het project heeft het potentieel van GIS-kaarten en database aangetoond. Het is een goede manier om alle informatie te verzamelen en om relevante analyses uit te voeren. Je kunt immers veel factoren combineren. Dat maakt het mogelijk om meerdere vragen te beantwoorden. Bovendien is het prettig voor beleidsmakers om beslissingen te kunnen nemen over iets dat objectief en tastbaar is als een kaart of een score. De ontwikkelde methode kan bovendien verder worden uitgewerkt met meer informatie, zoals obstakels op de stoepen." 

Ubeda heeft intussen vier walkability-kaarten gemaakt: een algemene kaart, een recreatieve, werkgerelateerde en toeristische walkability. “Het verschil tussen de vier kaarten zit in de factoren die je selecteert om de relatieve voetgangersdrukte van een specifieke gebruikersgroep te berekenen. Zo selecteer je voor de algemene relatieve voetgangersdrukte: inwoners + arbeidsplaatsen + studenten + bezoekers + alle functiecategorieën + ov-drukte. Maar voor de recreatieve voetgangersdrukte maakt je een selectie van de variabelen: inwoners + aantal bezoekers + uitsluitend recreatieve functiecategorieën + ov-drukte. Inzicht in de recreatieve voetgangersdrukte kan bijvoorbeeld helpen bij beslissingen over het al dan niet toevoegen van recreatieve functies in een gebied.”

Terrassenbeleid

Beleidsmakers gebruiken de kaarten om het voetgangersbeleid verder te ontwikkelen. Een van de eerste zaken waarop het wordt toegepast is het terrassenbeleid. Bij het bepalen van de omvang van het terras wordt nu rekening gehouden met de Walkability ter plekke. “Ook wordt de beloopbaarheid van de stad door de gemeente gezien als een belangrijke indicator voor de kwaliteit van de openbare ruimte. Zo gaat de walkability nu ook een rol spelen in het beoordelen van de fietsparkeerdruk. Door deze te relateren aan de beloopbaarheid, krijgen cijfers over fietsparkeerdruk meer waarde.” 


Daarnaast zijn de kaarten relevant om beter te begrijpen hoe de openbare ruimte functioneert. “De werkgerelateerde walkability-kwaliteit kan bijvoorbeeld laag zijn, maar dat geldt meestal tijdens piekuren (ochtend- en middagpiek) en is dus veel meer een tijdsgebonden probleem, dan bijvoorbeeld de recreatieve walkability die veel langere piekuren kent. Daarom zal een stoep met een lage recreatieve walkability kwaliteit meer prioriteit hebben dan een stoep met een lage werkgerelateerde walkability kwaliteit.”

Tips voor gemeenten

De methodiek is redelijk universeel, legt Ubeda uit. “De Basisregistratie Grootschalige Topografie, BGT, is beschikbaar voor heel Nederland. Ze bevat open en gedetailleerde informatie en ruimtelijke gegevens over de openbare ruimte van elke stad, tot aan stoepbreedten en obstakels. BGT kan via GIS worden gecombineerd met eigen stedelijke data.”


Ubeda heeft op basis van haar ervaringen de volgende tips voor gemeenten. “Definieer je doelen. Wil je meer wandelruimtes creëren, dan spelen de functies een grote rol. Wil je de bestaande beloopbaarheid verbeteren, dan zijn ruimte, comfort en veiligheid het belangrijkst. Daarna verzamel je gegevens en data over voetgangers. Dit aspect moet niet worden onderschat. Ten slotte bedenk je voor welke gebruiksgroepen je de walkability wil bepalen.”

Dit artikel verschijnt in Verkeer in Beeld 4, oktober 2018.



Dit artikel komt uit Verkeer in Beeld

Deel dit artikel