Blog

De praktijk van een eenzijdig ongeluk

Karin Broer, journalist

Ongelukken doen iets met de tijd. In een fractie van een seconde wordt tijd onmetelijk. Terwijl je valt, denk je lappen tekst: ‘O, dat gaat niet goed, een groen bruggetje, ik had het kunnen weten, als ik nu maar niet met mijn hoofd tegen de brug kom. Ik kom wel met mijn hoofd tegen de brug. O, dit gaat niet goed. Als ik nu maar geen hersenschudding krijg’. Zoiets, en dat allemaal tijdens het vallen.

 

Daarna werd ik boos. Wel hier en gunter, ik wil helemaal niet vallen. En weer later voelde ik me een stommeling, ja, zo’n groen uitgeslagen bruggetje in vochtig weer, dat is glad. Fietsers vallen. Niet vaak, niet regelmatig, maar toch. Het valt niet te ontkennen. Fietsen is een evenwichtskunst. Goed uit te voeren als het wegdek in orde is (en de fiets). Maar dat is niet altijd zo.

 

In 1995 kwam ook officieel aan het licht dat fietsers vallen. De SWOV onderzocht toen samen met de stichting Consument en Veiligheid de Eerste Hulpgegevens. Uit dit rapport 'Frequentie en oorzaken van enkelvoudige fietsongevallen' bleek dat 60 procent van de fietsongelukken een eenzijdig ongeluk is, dit is een ongeluk waar geen botspartner bij betrokken is. Per jaar belanden zo 5000 fietsers in het ziekenhuis. Daar zitten dus niet de mazzelaars bij zoals ik, die met een dikke buil en een zere knie kruipend hun huis bereiken en zonder doktershulp herstellen.

 

Vorig jaar deed Paul Schepers van Rijkswaterstaat uitgebreid onderzoek naar de oorzaken van eenzijdige ongevallen (Fietsberaadpublicatie19a). Zijn conclusie is dat ongeveer de helft van deze ongelukken heeft te maken heeft met infrastructurele gebreken: slecht wegdek, losliggende tegels, paaltjes enzovoort. Fietsers glijden uit: door sneeuw en ijs, door zand en grind, door groene bruggetjes, maar ook door van die gladde stelconplaten die bij bouwwerkzaamheden worden neergelegd. Fietsers komen ten val doordat ze in de drukte in aanraking komen met trottoirbanden, door paaltjes die ze te laat zien of die op een onverwachte plek staan. Of gewoon door hobbels en kuilen in het wegdek: de slechte tegelpaden, de boomwortels die door het asfalt steken.

 

Het is tijd om de verkeersveiligheid van fietsers te verbeteren, riep SWOV-directeur Fred Wegman bij de presentatie van Nationale Onderzoeksagenda Fiets in november. Prima. Ik zou zeggen: gemeenten, maak een begin. Vaardig een verbod uit op het gebruik van stelconplaten, bekijk elk paaltje op zijn noodzaak, verbeter de gladheidsbestrijding, geef fietspadonderhoud voorrang, doe iets aan groen uitgeslagen bruggetjes enzovoort, enzovoort. Wie de Fietsberaadpublicatie goed doorleest, heeft een serie kant-en-klare recepten in huis om het aantal eenzijdige ongelukken te verminderen.

 

Maar waar begint Wegman over in zijn column in SWOV-schrift 126 najaar 2011?  Het gedrag van fietsers. Natuurlijk, er rijden teveel bellende dronken fietsers door rood, maar er zijn ook heel veel gewone bedaagde fietsers die niets anders proberen te doen dan hun evenwicht te bewaren. Waarom spreekt Wegman gemeenten in deze tijd van bezuinigingen niet eens aan op de kwaliteit van het wegdek? Waarom wijst Wegman niet op de valpartijen van oudere fietsers? (Consument een Veiligheid noteerde onlangs een stijging van 55 procent van oudere fietsers die in het ziekenhuis belandden)

 

Fietsen is een evenwichtskunst, goed uit te voeren, maar je moet niet te vaak groen uitgeslagen bruggetjes tegenkomen.



Dit artikel komt uit Verkeerskunde

Deel dit artikel