Wakker worden in een stad met zingende vogels, dat is prettig opstaan. In delen van Den Haag en Rotterdam hoor je ’s ochtends echter niets meer, zegt ornitholoog Timo Roeke van Vogelbescherming Nederland. Die stilte is een luid signaal. Want waar vogels verdwijnen, hapert het stedelijk ecosysteem. Wat betekent dat voor gemeenten? En wat is er nodig om de vogel terug te brengen in de stad en de gezonde leefomgeving op peil te krijgen?
Een vogelrijke stad is een gezonde stad. Maar hoe krijgen we die terug?
De huismus is een echte stadsvogel (bron: Martin Hierck)
Twintig zwarte kraaien en dertig zilvermeeuwen op een dak betekent niet dat je je in een vogelrijke stad bevindt, gaat Roeke van start. Wat een stad vogelrijk maakt, is niet het aantal vogels, maar de variatie aan soorten. “Dan zie je niet alleen eksters en meeuwen, maar ook een huismus, braamsluiper, staartmees en merel.”
Die diversiteit fungeert als een directe graadmeter voor de kwaliteit van de stedelijke leefomgeving. In een robuust ecosysteem zijn voedsel, schuilplekken en voortplantingsmogelijkheden voor vogels in balans en dat zie je terug in het aantal soorten dat er kan leven. In veel Nederlandse steden ontbreekt die balans.
Natuuramnesie: vergeten hoe het was
De nood is aan de man, concludeert Roeke daarom. “Het is niet makkelijk een specifieke oorzaak aan te wijzen, het is veel complexer. Het is het systeem dat een beetje instort en het lastige is dat het langzaam gaat, zodat je er eigenlijk niet bij stilstaat. Met de ervaring van vroeger zie je dat het is veranderd. Maar er ontstaat een soort van natuuramnesie, die cultuur van natuur zijn we een beetje vergeten.”
Een van de redenen is de verstening van de steden en de daarmee ook stijgende temperaturen in het stedelijk gebied. Versteende gebieden trekken vooral opportunistische soorten aan, de overlevers: kraaien, zilvermeeuwen en halsbandparkieten. Soorten die zich aanpassen aan schaarste, maar weinig zeggen over ecologische kwaliteit.
Maar ook op tuinniveau is er “dramatisch” veel veranderd. “In de jaren 80 stonden werden tuinen door coniferen afgeschermd, plekken waar vogels zich kunnen verschuilen voor katten en sperwers. Die zijn vrijwel allemaal vervangen door schuttingen.”
Bovendien is de wereld is sindsdien kleiner geworden, ziet Roeke. “Er staan planten uit de hele wereld. Prachtige kleuren en mooie bloemen, maar je ziet er geen insect omheen. De tong van zo’n insect heeft er miljoenen jaren over gedaan om bij de honing van een Europese plant te komen en dan staan er ineens allemaal planten uit Cuba of Tibet. Die hebben geen ecologische waarde, sluiten niet aan op het systeem. Vogels die voor een vogelriike stad zorgen, vinden dan geen zaden en insecten en trekken zo aan het kortste eind.”
‘Een maatregel die goed is voor het milieu, niet automatisch goed is voor de biodiversiteit’
De drie V’s
Ook moderne woningbouw speelt een rol. In oudere woningen vonden vogels als de gierzwaluw of de huismus plekken in de spouw of onder de dakpannen. Met de isolatiedrift verdwijnen die plekken. Bij nieuwe woningen wordt alles meteen zodanig dichtgemetseld en geïsoleerd dat er eigenlijk geen ruimte meer is voor die vogelsoorten. “Isolatie is ook belangrijk natuurlijk”, begrijpt Roeke, “maar zo zie je dat een maatregel die goed is voor het milieu, niet automatisch goed is voor de biodiversiteit. Dat kan elkaar bijten.”
.jpg)
Terwijl Roeke oorzaken opsomt, noemt hij ook oplossingen. “Vogels hebben in de basis drie V’s nodig om te kunnen leven in stedelijk gebied. Als voedsel, veiligheid en voortplanting gedekt zijn, dan kun je praten over een Basiskwalititeit Natuur voor vogels. Keep the common birds common, zeggen de Engelsen. We zijn op zoek naar een basislijn waarop die vogels zich kunnen voorplanten: dan moet er nestgelegenheid zijn, dus vaak struiken en ruimte in panden voor in gebouwen wonende soorten. Voor voedsel moeten er dus inheemse planten zijn die zaden dragen en insecten aantrekken. De veiligheid vinden ze in coniferen: dus niet alleen bomen en gras zoals je vaak in parken ziet, maar ook die middenlaag, de zoom.
Die veilige plekken moeten bovendien met elkaar verbonden zijn. Hij geeft Utrecht als goed voorbeeld. “Daar hebben ze een mooie singel met veel bomen en zo’n verbinding kunnen de vogels dan gebruiken. Maar als die ontbreekt, zullen ze soms toch de reis naar een ander deel willen maken en dat is gevaarlijk. Want in die tussenstukken zitten de opportunisten of ze vliegen tegen glas. Dus ze hebben hubs nodig om zich te kunnen verplaatsen.”
‘We hebben het vaak nog over natuurinclusief bouwen, maar het gesprek moet over natuurinclusief ontwikkelen gaan’
Groeiend besef bij partijen
De Vogelbescherming kijkt niet werkeloos toe en ziet ook kansen in de uitdagingen. En richt zich daarbij op gemeenten, projectontwikkelaars en - soms via de tuincentra - op de inwoners.
“Er moet over een aantal zaken worden nagedacht”, legt Roeke uit. “Bijvoorbeeld dat je bij een aanbesteding natuurinclusief ontwikkelt. We hebben het vaak nog over natuurinclusief bouwen, maar het gesprek moet over ontwikkelen gaan. Want in het verleden maakten ze een stuk grond natuurvrij, dan ging alles, tot aan 300 jaar oude bomen, eruit. Dan kwam er geel zand overheen en werden er nieuwe bomen geplant. Gekkenwerk, want die bomen zijn een ecosysteem op zich. Bij natuurinclusief ontwikkelen kijk je eerst wat er al staat en wat je kunt hergebruiken. Dus uitgaan van de bestaande ecostructuren om een nieuwe wijk te bouwen.”
.jpg)
Ook in de woningbouwopgave liggen mogelijkheden. “De inbreiding zorgt voor meer hoogbouw en dat schept ook kansen. Groene wanden bijvoorbeeld, daar broeden heel veel vogels in. Op die platte daken staan vaak zonnepanelen en daar is ook ruimte voor vogels. Je ziet dat vogels zich wel aanpassen aan dergelijke mogelijkheden in de omgeving.”
We helpen woonstichtingen bij deze opgave”, vervolgt hij. “We zijn betrokken bij een gedragscode hiervoor vanuit de overheid. Zo praten we met ze over het verplichten in de wetgeving van die neststenen. De meerprijs van die voorzieningen is een promillage op zo’n bouwproject van tientallen miljoenen. Dat hadden we geregeld, tot minister Keizer kwam.”
Er gebeuren goede dingen
Inwoners zijn lastiger te bereiken. “Maar wel belangrijk, want al die tuinen bij elkaar zorgen voor een oppervlakte van een paar keer de Hoge Veluwe. We proberen daarom actief met tuincentra te werken: informeer je klanten en pas je assortiment aan. In het begin waren we een roepende in de woestijn, maar sinds twee jaar bijvoorbeeld heeft de nieuwe Raad van Toezicht van Intratuin gezegd dat ze het gewoon gaan doen. Omdat ze zich medeverantwoordelijk voelen voor hoe het Nederlandse landschap eruitziet.”
Eenzelfde houding is er bij projectontwikkelaars, misschien wel de belangrijkste partij. “De projectontwikkelaars zijn in Nederland het verst. Een rare gedachte, maat het is wel zo. Zoals Ballast Nedam, BAM en Heijmans. Die grote jongens bepalen voor een groot deel hoe Nederland eruitziet. We hebben ervoor gekozen om strategisch met hen samen te werken en hen bij de hand te nemen over wat natuurinclusief ontwikkelen is en hoe je een hele groene aanbesteding kunt winnen. Waarbij je als projectontwikkelaar trots bent dat je de natuur de ruimte geeft en de gemeente uitlegt wat de toegevoegde waarde is voor de gezonde leefomgeving.”
“Je ziet langzaam ook steeds meer dat zorgverzekeraars en pensioenfondsen mee willen betalen vanwege de preventieve effecten. Tien jaar geleden was het echt onmogelijk om dit soort dingen voor elkaar te krijgen, maar tegenwoordig is dat echt anders aan het worden. Er gebeuren echt wel goede dingen.”
Dit artikel is verschenen in Straatbeeld 2/2026. Je leest deze editie gratis in onze digitale bibliotheek.
