Artikel

Omgevingsgericht Lichtontwerpen; leren van andere vakgebieden

Om de principes van Omgevingsgericht Lichtontwerpen succesvol te implementeren in visie, ontwerp, realisatie en beheer spelen tal van uitdagingen een rol. Wat kunnen mensen werkzaam in de openbare verlichting leren van andere vakgebieden zoals groen, mobiliteit, landschapsarchitectuur of toegankelijkheid?

Tijdens een ronde tafelgesprek discussieerden betrokkenen uit de verschillende vakgebieden met elkaar voor het hoofdstuk leren van andere vakgebieden voor de publicatie Omgevingsgericht Lichtontwerpen. Henk Schuitemaker (zelfstandig architect bij VlugP), Frank Lewis (landschapsarchitect), Arjan Karssen (ruimtelijk industrieel ontwerper), Denise Janmaat (directeur Nederlands Instituut voor Toegankelijkheid) en Syb Tjepkema (beleidsadviseur mobiliteit bij gemeente Zwolle) bespraken drie thema’s; wat kun je voor je eigen projecten leren van andere vakgebieden, wat kun je leren binnen de eigen organisatie en wat als vakgebied of sector.

Drie niveaus

De discussie werd ingestoken op drie niveaus: wat kun je in je eigen werk cq projecten leren van andere vakgebieden, wat binnen jouw organisatie en wat als vakgebied cq sector.

Het project

Het gesprek ging als eerste in op het meest concrete niveau, het project. Een onderwerp waar iedereen uit ervaring over kan meepraten. Denise Janmaat: “Wij komen alleen maar aan bod als men vastloopt in het project op gebied van toegankelijkheid, of als meerdere disciplines hetzelfde probleem hebben. Zo werden we een keer benaderd voor het overbruggen van een hoogte van anderhalve meter bij de toegang van een gebouw. De architect kwam er niet meer uit, dan komen wij in beeld. Er zijn dan echter al veel uitgangspunten waar je niet meer vanaf kunt wijken, denk bijvoorbeeld aan de keuze voor de bestrating of de ligging van het fietspad. We kunnen daardoor niet meer holistisch denken. De meerwaarde zou zo veel groter zijn als we eerder aan tafel zouden zitten. Dat proberen we door aan de bel te trekken als we een nieuw project voorbij zien komen. Helaas weten we dat niet altijd. Bovendien: toegankelijkheid is niet sexy, het wordt als een lastig onderwerp gezien. Dat pas serieus aandacht krijgt als het projectbureau het verkeerd ziet gaan en daarmee de toegankelijkheid van zijn gebouw of openbare ruimte in het nauw ziet komen.”

Arjan Karssen vult aan: “Het zit inderdaad in de start van een project. Wij hebben meegewerkt aan het project winkelhart Heerhugowaard, waar heel veel vandalisme was en samenscholing. Verlichting zat daar niet in de basisvraag van de herinrichting. Het project als geheel wordt heel functioneel aangevlogen. Er zit echter ook een esthetische kant aan waar heel veel rek in zit. Die kant zou meer in het Programma van Eisen verankerd moeten worden als onderdeel van het totale eisenpakket.” Denise Janmaat vult aan: “Verlichting kan ook onderdeel zijn van een oplossing tegen dat vandalisme.”

Syb Tjepkema haakt daar op aan: “Je moet je data op orde hebben. Kijk wat er speelt in een gebied. Is er sprake van wateroverlast, vandalisme? Die data verwerk je in een kaart. Die je vervolgens helpt om de context van een gebied te leren kennen. De informatie moet dus makkelijk beschikbaar, goed leesbaar en transparant zijn.” Janmaat vraagt zich af: “Hoe borg je van tevoren welke informatie de projectleider nodig heeft en wat er nog ontbreekt?” Tjepkema: “Door een goede communicatie tussen de afdeling beheer en de projectleiding. Ik geef toe dat dit niet altijd vanzelf gaat. De koppeling blijft mensenwerk. In Zwolle hebben we een project gedaan waar die koppeling toevallig wel goed ging. De Rembrandtlaan moest heringericht worden, maar er was niet voldoende geld. Omdat er in het gebied ook wateroverlast was, hebben we de nieuwe fietsroute mede gefinancierd vanuit klimaatadaptatie. Hier was het financiële aspect dus de aanjager, dat zou eigenlijk niet zo moeten zijn. Daarvoor is ook meer kennis en goede scholing nodig.”

Karssen: “De opdrachtstelling van een project moet naast de hoofdvraag, veel meer aandacht besteden aan deelvragen waarin andere vakgebieden benoemd moeten worden. Om te voorkomen dat iedereen direct en alleen met die hoofdvraag aan de slag gaat. En er vaak een blinde vlek ontstaat.” Janmaat: “Je zou daarom een checklist moeten maken van zaken die je altijd meeneemt in een project. Maar zelfs dat vormt vaak al een bedreiging. Want hoe meer vragen je stelt, hoe complexer een project wordt.” Tjepkema is dat met haar eens: “Het moet zo snel en zo goedkoop mogelijk. En daar moeten we vanaf. We moeten een project in een andere context gaan bekijken, werk met werk maken. En soms moet je de opdrachtgever ook gewoon zeggen dat een klus niet goedkoper kan.”

Schuitemaker merkt dagelijks dat dat niet altijd zo eenvoudig is: “Sommige dingen zijn moeilijk verenigbaar. Je werpt soms dingen op die moeilijkheden veroorzaken. Ik denk bijvoorbeeld aan een project waar oude bomen stonden die iedereen wilde behouden. Tegelijkertijd speelde er een woningbouwopgave waardoor je in de knel raakt met kabels en leidingen.”

Het beleid

Openbare verlichting op projectniveau in een vroeg stadium meenemen zou dus al een hoop schelen. Op beleidsniveau een rol krijgen, zou misschien nog meer zoden aan de dijk zetten. Maar hoe pak je dat aan? Schuitemaker geeft aan dat landschapsontwerpers in de loop der jaren een belangrijke rol hebben gekregen in het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Tjepkema ziet kansen voor de invoering van de Omgevingswet. “Ik ben een optimist als het gaat om de Omgevingswet. Het besef groeit dat we het niet meer redden door vanuit kokers te denken. Als je drie keer een parkeerplek aanlegt op de plek van een speeltuin, dan wordt men wel kritisch. Bewoners weten de politiek sneller te vinden. Dat brengt ons wel weer op de geldvraag. Je zult aan de voorkant iets meer moeten investeren omdat vervolgens later terug te krijgen. Ik ben dan ook voorstander van gebiedsgericht werken. Momenteel zien we de baten daarvan als gemeente nog niet echt terug, die zullen we expliciet moeten maken.”

Denise Janmaat vindt dat sectoren inzichtelijk moeten maken welke opbrengsten ze kunnen leveren, zodat ze zich meer in de kijker spelen. “Dan word je eerder uitgenodigd.” Frank Lewis brengt een andere uitdaging in: “De afdelingen beheer en ontwerp liggen vaak nog mijlenver uit elkaar. En ook de financiële middelen zijn verdeeld over verschillende wethouders en andere portefeuilles. Zo wordt openbare verlichting vaak gefinancierd vanuit het beheer, waardoor iemand vanuit die discipline meedenkt over de plannen. Breng ontwerp en beheer bij elkaar, dat levert meer op.” Karssen kan dit alleen maar beamen. “In een Design & Construct contract heb je mazzel als je als ontwerper überhaupt betrokken wordt bij een project.”

Door aan te haken bij de prioriteiten van de gemeente én de bijbehorende terminologie is het wellicht makkelijker om de aandacht te trekken. Tjepkema weet als gemeenteambtenaar te vertellen dat zaken als beleving en veiligheid hoog op de agenda staan. “Dat abstracte niveau moeten we terugbrengen naar waarden, dat bewustzijn is er wel. Corona heeft gezorgd voor een herwaardering van een prettig leefklimaat en daar kun je vanuit openbare verlichting op aanhaken. Licht is immers ’s avonds en ’s nachts een essentiële factor voor gebruik en beleving van de openbare ruimte.”

Het vakgebied

Het laatste deel van het gesprek ging over de vraag hoe je voor je eigen sector kunt lobbyen, hoe je je goed manifesteert. Volgens Arjan Karssen liggen er vooral kansen in het onderwijs: “Je zou bij relevante opleidingen voor architecten, landschapsarchitecten en stedenbouwkundigen een soort tussenjaar kunnen creëren waarin je aan projecten werkt met allerlei disciplines. Beheer, techniek, groen, licht, noem maar op. Zo leer je van jongs af aan niet alleen vanuit je eigen discipline te denken.”

Henk Schuitemaker oppert om goed te kijken welke thema’s er bij gemeenten spelen en daarop aan te haken. Een derde suggestie is om de krachten binnen een sector te bundelen om zo meer stootkracht te krijgen. De Fietsersbond is hier een goed voorbeeld van, net als de lobby voor natuurinclusief bouwen die snel voet aan de grond krijgt tot de landelijke politiek aan toe. Omdat het vakgebied openbare verlichting niet zo heel groot is, denkt Denise Janmaat dat het goed zou zijn als deze branche de hand uitsteekt naar andere vakgebieden om samen op te trekken. Syb Tjepkema heeft nog een laatste tip: “We zijn in tegenstelling tot wat we denken heel slecht in samenwerken in Nederland. Elk dorp heeft drie fanfares. Maak daarom een mindmap van alle disciplines die baat hebben bij goede openbare verlichting. Je komt al gauw tot twintig partijen. Er is vast wel een wethouder in Nederland die zich hier hard voor wil maken.”

Deel dit artikel