Artikel

Gaat u zitten...

Hoe ervaart de gebruiker de openbare ruimte? In een reeks bespiegelingen houdt redacteur en voetganger Jos Oude Holtkamp de beleidsmakers, ontwerpers, inrichters en beheerders zijn spiegel voor. Voor aflevering 1 is hij neergestreken in Den Haag.

In Den Haag kwam ik alleen als het niet anders kon. Voor mijn werk dus. Den Haag was voor mij, opgegroeid aan de oostgrens, niet alleen in politieke zin maar ook geografisch 'ver weg'. Verder dan onze andere grote steden. Amsterdam, Rotterdam, Utrecht: daar kwam ik regelmatig. Maar Den Haag? Nooit iets mee gehad.

Tot een jaar of twee geleden. Ik was net eindredacteur bij Straatbeeld toen een verse collega vertelde over haar Haagse jaren. Ik zei dat ik de stad nauwelijks kende en bijvoorbeeld nooit op het Binnenhof was geweest. Wat ik zelf eigenlijk wel een gemis vond. "Wat let je?" zei de collega. "Vanaf Den Haag Centraal loop je er zo naartoe."

Nooit begrepen

Kijk, en dat had ik nooit van die stad begrepen. Die twee stations, Centraal en Holland Spoor hadden me al lang geleden verward en ik was op stadswandeling een keer langs Paleis Noordeinde gekomen, maar het Binnenhof? Geen idee, joh. Ik verdwaalde iedere keer. Het interesseerde me ook niet.

Nu heb ik ontdekt was voor parel de stad is. Als de aandrang tot een dagje uit begint te prikkelen denk ik vaak het eerst aan Den Haag. Ik snap nog steeds niet helemaal hoe de stad 'werkt'. In het ronde Amsterdam en het hoekige Rotterdam kom ik moeiteloos waar ik zijn wil. Maar in Den Haag verlies ik, vooral in de smallere straten van het Hofkwartier, om een of andere reden onherroepelijk mijn gevoel voor oriëntatie.

Tot tranen geroerd

Toch ben ik van de stad gaan houden. Dankzij de sfeer, de ongewone mengeling van 'chic' en 'volks'. En de architectuur: als liefhebber van jugendstil en art deco heb ik er, soms tot tranen geroerd, gebouwen van de Nieuwe Haagse School bewonderd, het wemelt ervan. Dankzij de inrichting ook, met overal groen en kunst, met experimentele vormen waar het kan en klassieke waar het hoort. Maar vooral, wist ik toen ik naar Den Haag zou gaan voor dit verhaal, dankzij mijn rugpijn.


Klassieke vormgeving waar het hoort: het Lange Voorhout. 

Die speelt bij tijd en wijle zo geweldig op, dat ik om de paar honderd meter even enkele seconden moet kunnen zitten. Hoe vaak strompelde ik niet van vensterbank naar elektriciteitskastje en van het kastje naar een muurtje?

Stad der banken

Dan Den Haag. Stad der banken. Niet alleen op het Binnenhof. Amper van Centraal af vind ik ze al op Plein, op Lange Poten, Spui, Grote Markstraat. Geen zuinige bankjes (die je in andere steden soms vindt en die dan altijd bezet zijn), nee: banken die de halve straat beslaan. Alsof Den Haag een stad voor toeschouwers is. Maar ik denk dat het is bedacht door iemand met rugpijn. In Den Haag zit je goed. En nu ik er vandaag speciaal op let blijken er nog veel meer te staan dan ik al dacht.


De Van Karnebeekbron, jugendstilmonument ter herinnering aan de opening van het Vredespaleis. 

Het mooist vind ik de bank van de Van Karnebeekbron, het jugendstilmonument ter herinnering aan de opening van het Vredespaleis. Een rustig hoekje tussen verkeersaders naar Scheveningen en het westen van de stad. De bron staat droog, begin februari, wegens vorstrisico denk ik, maar afgelopen zomer kon ik er gelukkig een vogelpoepje van mijn hoofd wassen. Een plek met herinneringen...

Ik zie de ironie nu ik hier vandaag weer even ga zitten - om een sinaasappel te eten, niet omdat het moet. Kom ik naar Den Haag voor de banken, heb ik geen centje rugpijn. Ik moet hier vaker naartoe.

Deel dit artikel