Nieuws

DNA-analyse als extra hulpmiddel bij veldonderzoek

Wat twintig jaar geleden nog science fiction was is nu realiteit. Zo kunnen wij nu in het weefsel van het leven zelf kijken: aan de hand van DNA, de bouwstenen van het leven, kan eenvoudig worden nagegaan met welke soort, en zelfs met welk individu wij te maken hebben. Bij veel diersoorten hoeft daarvoor geen bloed of huidmonster meer afgenomen te worden. Uitwerpselen bevatten voldoende DNA om dit met de nieuwste DNA-technieken te kunnen bepalen. Zelfs in watermonsters kan DNA worden opgespoord. Daar komt nog bij dat dergelijke analyses steeds goedkoper worden waardoor deze techniek ook toepasbaar wordt binnen ecologisch veldonderzoek. ”Dus als u onderzoek doet loopt u keuteltjes te zoeken?” Ja, soms wel. In dit artikel bespreken we twee voorbeelden.


Gewone grootoorvleermuis of Grijze grootoorvleermuis?

In verblijfplaatsen van vleermuizen zijn hun uitwerpselen vrijwel altijd te vinden. Bij onderzoek in Noord-Brabant, waar zowel de gewone als de grijze grootoorvleermuis voorkomt, kwam dit onlangs goed van pas. Met behulp van batdetectors werden daar in twee te slopen gebouwen verblijfplaatsen van grootoorvleermuizen opgespoord. Aan de hand van de geluiden die met een batdetector zijn waar te nemen zijn deze twee soorten echter niet te onderscheiden. De gewone grootoorvleermuis is wat verblijfplaatsen betreft een opportunist die behalve zolders ook holle bomen en vleermuiskasten gebruikt. De grijze grootoorvleermuis bewoont uitsluitend zolders van gebouwen. Voor de door de sloop te verdwijnen verblijfplaatsen moest vervanging aangeboden worden. Voor de gewone grootoorvleermuis is dat in verband met zijn voorkeuren eenvoudiger dan voor de grijze. Als niet zou worden vastgesteld om welke soort het gaat zouden via een worst case scenario maatregelen ten behoeve van de grijze grootoorvleermuis getroffen moeten worden (die dan ook voor de gewone grootoorvleermuis effectief zouden zijn). Het was dus belangrijk te weten om welke van de twee soorten het ging. Hiervoor werden in de verblijfplaatsen uitwerpselen verzameld waaruit vervolgens het DNA geanalyseerd werd. In beide gebouwen bleek het om de gewone grootoorvleermuis te gaan, zodat volstaan kon worden met vleermuiskasten als vervangende verblijfplaats. De kosten van het DNA-onderzoek wogen ruimschoots op tegen de lagere kosten van de uit te voeren maatregel.


Noordse woelmuis of Veldmuis?

Een ander voorbeeld betreft een locatie langs een vaart in Zuid-Holland. De vaart moet worden verbreed en uitgediept. De oever is redelijk geschikt als leefgebied voor de noordse woelmuis, een zwaar beschermde diersoort. Sporen die daar werden aangetroffen zouden van deze soort en van de nauw verwante veldmuis kunnen zijn. Voor de veldmuis geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen. Bovendien concurreren deze soorten met elkaar. Normaal gesproken zou met behulp van inloopvallen vastgesteld moeten worden welke soort hier voorkomt, maar doordat wat keuteltjes verzameld konden worden kon dit sneller en goedkoper. DNA-analyse van de uitwerpselen toonde aan dat het hier de veldmuis betrof. De vervolgvraag die nu relevant geworden is: hoeveel monsters heb je nodig om de aanwezigheid van een soort ook daadwerkelijk uit te kunnen sluiten. Regelink Ecologie & Landschap en Datura - Molecular Solutions in Ecology werken samen aan het ontwikkelen van DNA-analyses die ecologisch onderzoek kunnen ondersteunen. Bij een van deze methoden kan volstaan worden met het verzamelen van watermonsters. In dat water is het DNA te vinden van diersoorten die in en rond dat water leven. Denk hierbij aan een vis als de grote modderkruiper of aan zoogdieren als de waterspitsmuis en de otter. Door het analyseren van het water op zulk enviromental DNA (of eDNA) kan het voorkomen van deze soorten vastgesteld worden. DNA analyses vormen dus een waardevol aanvullend instrument in de toolbox van veldecologen.

Deel dit artikel