Artikel

Licht op Landschap onderzoekt hoe dieren omgaan met lichtintensiteit

Het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) onderzoekt de effecten van nachtelijk kunstlicht op onze natuur. “We weten inmiddels dat rood licht het minst verstorend werkt op verschillende diersoorten”, zegt bioloog en onderzoeker Kamiel Spoelstra. In het Licht op Landschap project wordt nu onderzocht hoe dieren omgaan met lichtintensiteit.

In de zomer van 2019 is begonnen met het onderzoek, dat in totaal zes jaar in beslag neemt. Er wordt onderzocht hoe nachtactieve dieren zoals vleermuizen, muizen, marterachtigen en amfibieën reageren op lichtintensiteit. Licht op Landschap is een vervolg op Licht op Natuur. Dat onderzoek werd in 2017 afgerond. De centrale vraag: wat is het effect van verschillende kleuren licht zoals rood, wit, en groen op de aanwezige diersoorten in een gebied? “Wil je het minste effect op de natuur hebben, dan is het aan te raden om rood licht te gebruiken als het gaat om vleermuizen, insecten en woelmuizen”, zo vertelt Spoelstra. “En als je dat niet wilt, dan minstens warm wit licht van 3000 kelvin of lager. Groene verlichting werkt voor veel dieren, en zeker voor vleermuizen, het meest verstorend. Dit heeft ermee te maken dat je 's nachts blauwig of groenig licht hebt. Nachtdieren hebben ogen die extra gevoelig zijn voor licht waar veel blauw in zit.” Voor dit onderzoek zijn op acht plaatsen op de Veluwe en in Drenthe in totaal 32 lantaarnpalen met verschillende kleuren verlichting geplaatst, in gebieden die voorheen donker waren.

Het gebruik van verschillende kleuren kunstlicht leverden de onderzoekers interessante inzichten op. “Door de koude winter in 2013 waren de mezen laat met broeden. Maar onder het witte en groene licht leken de dagen langer en gingen ze toch al eerder eieren leggen. Bosmuizen zijn niet of nauwelijks actief op plaatsen waar verlichting aanwezig is. Marterachtigen houden sowieso niet van verlichting, ongeacht de kleur. Verder maakt de experimentele verlichting het voor dwergvleermuizen makkelijker om voedsel te vinden. Ze jagen op insecten, die worden aangetrokken door het licht van de lantaarnpalen. Maar er zijn ook langzame vleermuizen, die pas uitvliegen op het moment dat het echt donker is. Hoe meer licht in een gebied, hoe minder langzaam vliegende vleermuizen er voorkomen.”

Lichtintensiteit

Voor Licht op Landschap gaan Spoelstra en zijn team een stap verder. “We weten dat warm wit licht tot rood licht het minst verstorend werkt. We gaan nu onderzoeken hoe dieren omgaan met lichtintensiteit. We willen weten hoe ver een lichtbron soorten als vleermuizen en muizen wegdrukt uit hun leefgebied. Ook kijken we naar lichtinvloeden in het landschap. Hoe ver moet een lantaarnpaal van het leefgebied afstaan om diersoorten niet te verstoren?”

Bakjes met zaadjes

De onderzoekers hebben verschillende methoden ontwikkeld om te meten wat de effecten van lichtintensiteit zijn op het gedrag van dieren. “Bij muizen maken we bijvoorbeeld gebruik van bakjes met zand waarin we twintig zaadjes verstoppen”, legt Spoelstra uit. “De bakje plaatsen we op verschillende afstanden van de lichtbron. Als het volledig donker is, durft de muis alle zaadjes uit het bakje te pakken. We weten uit eerdere pilots dat bij reguliere verlichting langs fietspaden de muis nooit dichterbij komt dan vijftig meter. We gaan nu onderzoeken of dat ook bij andere kleuren geldt. We verwachten dat muizen bij rood licht dichtbij een lantaarnpaal durven komen, maar om dat zeker te weten, moeten we wel metingen verrichten.”

Voor de metingen van vleermuizen wordt gebruik gemaakt van opnameapparatuur die heel hoog geluid kan meten. “De pulsen die door de vleermuizen worden uitgezonden worden door negen microfoons vastgelegd. Door de tijdsverschillen tussen de verschillende microfoons te meten, kun je precies uitrekenen waar een vleermuis vliegt. De muizen leggen we vast met automatische camera’s. We maken gebruik van dusdanig veel camera’s dat we zelf nauwelijks aanwezig hoeven te zijn in de testgebieden.”

Financiering NWO

Vanaf komende zomer worden de eerste resultaten van het Natuur op Landschap onderzoek verwacht. Het onderzoek is gefinancierd door het onderdeel Toegepaste en Technische Wetenschappen van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). “Dit zorgt ervoor dat de kennis uit het onderzoek wordt meegenomen in aanbevelingen”, aldus Spoelstra. “Er zijn vanuit het Licht op Natuur onderzoek verschillende Europese aanbevelingen gedaan, die overgenomen zijn in richtlijnen opgesteld door de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV). Denk bijvoorbeeld aan een lichttemperatuur onder 2700 kelvin in natuurgebieden.” Vanuit het NWO is een projectteam samengesteld dat meekijkt met het onderzoek. Partijen als OVLNL, Signify en Nobralux zijn hierin vertegenwoordigd. “Ze kijken mee met het onderzoek, stellen vragen over onze bevindingen en sturen onderzoeksvragen bij mocht dit nodig zijn”, zo besluit Spoelstra.

Dit artikel verscheen in Straatbeeld 1 / 2020. Download hier het magazine!

Deel dit artikel