In de rubriek Platform Toegankelijkheid belicht Denise Janmaat, directeur van het Nederlands Instituut voor Toegankelijkheid, in iedere editie van Straatbeeld een actueel vraagstuk rond toegankelijkheid. In deze aflevering richt zij de blik op het winkelcentrum als dagelijkse ontmoetingsplek. Want toegankelijkheid draait daar niet alleen om parkeren of drempels, maar om routes, stallingen en haltes die bepalen of mensen zelfstandig kunnen meedoen. Juist in die alledaagse details maakt een toegankelijke inrichting het verschil.
Hoe toegankelijk is het winkelcentrum in uw gemeente?
Thuisbezorging groeit, maar voor de meeste Nederlanders blijft het winkelcentrum een vaste plek in het dagelijks leven. Het is niet alleen een plek om boodschappen te doen, maar ook een belangrijke ontmoetingsplek - juist nu eenzaamheid toeneemt. Dat maakt één vraag urgent: kan iedereen het winkelcentrum daadwerkelijk bereiken en gebruiken? Toegankelijkheid gaat daarbij verder dan parkeerplaatsen. Het zit in routes, fietsenstallingen, haltes en details die bepalen of iemand mee kan doen of afhaakt.
Een winkelcentrum dat niet goed bereikbaar is, verliest vanzelf bezoekers. Vaak gaat het bij bereikbaarheid nog vooral over de auto. Vrijwel elk winkelgebied heeft parkeerfaciliteiten, bovengronds of in een garage. Toch gaat het niet alleen om aantallen, maar vooral om ligging. Een parkeerplaats vlak bij de entree is geen overbodige luxe voor mensen die minder goed ter been zijn. Bij autoluwe of autovrije winkelgebieden is ‘dichtbij’ vaak niet letterlijk aan de ingang, maar kan een plek dicht bij de looproute al veel schelen. Als gemeenten gemiddeld 5 procent van de plaatsen dicht bij de toegang reserveren voor mensen met een beperking, scheelt dat al een hoop.
Maar het straatbeeld verandert. Gemeenten stimuleren inwoners om de auto vaker te laten staan en dat werkt: steeds meer mensen komen met de fiets, brommer, scooter of het openbaar vervoer. Dat is goed voor klimaat én leefbaarheid, maar stelt nieuwe eisen aan de openbare ruimte. Wie bij een winkelcentrum aankomt, ziet dat fietsenstallingen vaak niet meegroeien met het gebruik.
De strijd om een plek voor de fiets
De klassieke fietsklem lijkt niet gemaakt voor de moderne fiets. Fietsen met krat, mand, kinderzitje of brede banden passen er nauwelijks in. Een driewieler, scootmobiel of bakfiets al helemaal niet. Ook de stoere ‘fietsnietjes’ die overal verschenen zijn, blijken niet zaligmakend. In theorie kunnen er twee fietsen aan staan, maar in de praktijk zet men er vaak één naast - dwars over het trottoir of midden in de looproute. Zo verdwijnen stallingsplekken en ontstaat rommel en onveiligheid.
Helder afgebakende stallingsplekken helpen, maar alleen als ze logisch liggen: dicht bij de winkels waar de meeste mensen naartoe willen. Is de afstand te groot, dan kiest men alsnog voor gemak en gaat de fiets pal bij de ingang of op het plein staan – soms precies op de geleidelijn die voor visueel beperkte bezoekers bedoeld is. Zo slibt de loopruimte dicht met obstakels en verdwijnt de toegankelijkheid weer uit beeld.
De rol van het openbaar vervoer
Ook het openbaar vervoer hoort bij een toegankelijk winkelcentrum. In een ideale situatie ligt een bushalte, tram- of metrostation op korte loopafstand. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar in kleinere steden en dorpen ligt de halte vaak net iets te ver weg of rijdt de bus te weinig. Voor mensen met een beperking kan dat het verschil betekenen tussen zelfstandig boodschappen doen of helemaal niet meer gaan. Daar komt bij dat bushaltes zelf minder uitnodigend zijn geworden. Waar vroeger een abri stond met zitbankje, is nu vaak een open constructie met alleen een leunsteun. Voor veel ouderen of mensen met evenwichtsproblemen is dat onvoldoende. Een stukje lopen naar de halte, staan wachten zonder steun en vervolgens weer op pad - voor sommigen is dat simpelweg te veel gevraagd.
De aansluiting in tijd is minstens zo belangrijk. Als bussen pas lang na openingstijd rijden of stoppen voordat de winkels sluiten, is het winkelcentrum praktisch onbereikbaar. Juist in dorpen en stadsranden maakt die afstemming het verschil tussen een verbinding die echt gebruikt wordt en een die vooral op papier bestaat
‘Toegankelijkheid klinkt vaak technisch of logistiek, maar het gaat in de kern over iets eenvoudigs: meedoen’
De kunst van het vinden
Wie eenmaal bij het winkelcentrum aankomt, wil weten waar hij moet zijn. Duidelijke bewegwijzering helpt iedereen, zeker bezoekers die slecht zien. Herkenbare routes, goede verlichting en logische overgangen van straat naar entree schelen onnodig zoekgedrag.
Voor mensen met een visuele beperking zijn geleidelijnen onmisbaar. Die moeten ook doen wat ze beloven: naar de ingang en de winkels leiden. In de praktijk eindigen ze nog te vaak bij een plantenbak of reclamezuil – een dood spoor in de stad.

Een overzichtelijke plattegrond bij elke ingang helpt om doelgericht op pad te gaan. Wie snel ziet waar welke winkels zitten, hoeft geen onnodige meters te maken. Hetzelfde geldt voor nooduitgangen en vluchtroutes: zichtbaar, toegankelijk en niet geblokkeerd.
Hoogteverschillen en andere obstakels
Trappen tussen parkeergarage en winkelstraat, drempels tussen trottoir en entree - het zijn obstakels voor iedereen met kinderwagen, rollator of rolstoel. Een hellingbaan lijkt een detail, maar bepaalt of iemand zelfstandig binnenkomt. Een goede helling is veilig, voorzien van leuningen en duidelijk gemarkeerd.
Toegankelijkheid klinkt vaak technisch, maar gaat in de kern over welkom zijn. Een winkelcentrum dat je zelfstandig bereikt, waar je je weg vindt zonder hindernissen en waar voorzieningen logisch zijn ingericht, nodigt uit tot gebruik. En juist daar ontstaat ruimte voor ontmoeting: een praatje, een kop koffie of simpelweg gezien worden.
De uitnodiging van een open stad
Voor gemeenten ligt hier een duidelijke opgave. Niet alleen in de inrichting van de openbare ruimte, maar ook in de afstemming met ondernemers en vervoerders. Een toegankelijke route begint bij het fietsvak of de halte en eindigt pas als iemand weer moeiteloos naar huis kan. Wie die route kritisch bekijkt, ziet meer dan stoepen en stallingen. Toegankelijkheid laat zien of een stad haar inwoners ruimte biedt om mee te doen - of hen ongemerkt buitensluit. En misschien is dat wel de beste graadmeter: als u rondloopt zonder te merken dat alles toegankelijk is, dan is het waarschijnlijk goed gedaan.
Dit artikel is verschenen in Straatbeeld 1/2026. Je leest deze editie gratis in onze digitale bibliotheek.
Meest gelezen
Bij het thema van dit artikel betrokken organisaties
Meer artikelen met dit thema
Integraal dashboard maakt leefomgeving in één oogopslag inzichtelijk
14 apr om 09:34 uurHittestress, wateroverlast en verlies van biodiversiteit vragen om samenhangende keuzes in de openbare ruimte.…
Klimaatadaptatie begint bij de kleine bui
13 apr om 11:28 uurIn het debat over klimaatadaptatie gaat veel aandacht uit naar extreme stortbuien. Begrijpelijk, want in korte…
Sport en bewegen als vast onderdeel van ruimtelijke ordening
10 apr om 09:01 uurSport, bewegen en spelen krijgen een formele plek in de ruimtelijke ordening. Met de instemming van de Tweede…
Arnhem maakt serieus werk van klimaatadaptatie
10 apr om 08:25 uurToen na een extreme regenbui in 2014 zelfs roeibootjes door Arnhemse straten voeren, werd één ding duidelijk:…
Young professional in de openbare ruimte: Nina Zandbergen
9 apr om 12:00 uurVerkeersveilige schoolomgevingen vragen om meer dan een drempel
9 apr om 11:26 uurHoe richt je een schoolomgeving zo in dat kinderen zich veilig kunnen verplaatsen én gedrag daadwerkelijk…
Meer bomen én kabels: zo houd je de ondergrond in balans
7 apr om 09:00 uurDe ondergrond raakt steeds voller. Gemeenten willen meer bomen voor klimaatadaptatie en leefkwaliteit, terwijl…
Nieuwe 'groene hartslag' brengt de Veluwe terug in Ede
3 apr om 09:00 uurHet centrum van Ede kreeg in het verleden te maken met toenemende leegstand, mede door uitbreiding en de…
